Checklist Taal

  Woorden

  Zinnen

Overbodige woorden zijn geschrapt, zonder dat de tekst overkomt als een telegram.

Hoogdravende en/of moeilijke woorden zijn vervangen door algemeen bekende woorden. Gebruik daarbij Van Dale's 'Woordenboek Nederlands als tweede taal' als richtlijn (Van Dale, 2003).

 De betekenis van noodzakelijke vaktermen worden in de tekst in gewone woorden uitgelegd.

 De betekenis van afkortingen wordt uitgelegd. Inde tekst staadubbelzinnige woorden gebruikt; wanneer Dedat wel gebeurt, dan blijkt uit de context wat de juiste betekenis is, of de betekenis wordt in de tekst uitgelegd.

Er worden geen buitenlandse woorden gebruikt in de tekst. Als buitenlandse woorden, namen of vaktermen toch nodig zijn, dan staan ze in cursief of tussen aanhalingstekens. De lezer weet dan dat het om een 'buitenlands' woord gaat. 

  Stijl 

De schrijfstijl sluit aan bij de doelgroep en bij het doel van de tekst. Doelgroep = jongeren? Korte zinnen, spreektaal, zap-tekstjes.

Wordt de tekst(ook) gelezen door ouderen? Kies dan voor langere zinnen, voor schrijftaal, en voor een rustiger tempo.

De voorbeelden, beeldspraak, spreekwoorden en metaforen in de tekst zijn die bekend bij de doelgroep. Let op: beeldspraak, spreekwoorden en metaforen kunnen door (sommige) lezers letterlijk worden geïnterpreteerd!

Lange en/of samengestelde zinnen zijn in stukken geknipt, tot korte, zelfstandige zinnen. Meer dan 30 woorden per zin is teveel!

Woorden die bij elkaar horen in de zin, staan bij elkaar.

 Bij opsommingen staan de woorden of omschrijvingen onder elkaar, met opsommingstekens of een nummer.

Zinnen zijn persoonlijk: niet 'men', 'iemand', of 'de lezer', maar 'u', 'jij' of 'ik'.

Niet:

"Het verdient aanbeveling dat teksten leesbaar geschreven worden"

Wel:

"Je moet altijd zo duidelijk schrijven, dat iedereen je tekst begrijpt."

Gebruik actieve in plaats van passieve werkwoordsvormen.

Niet:

"Er is een fout gemaakt"

Wel:

"Ik heb een fout gemaakt."

Het is duidelijk waar woorden als verwijswoorden en persoonlijke voornaamworden ('hij','zij', 'die' en 'daar') naar verwijzen.

Gebruik leestekens om de structuur van de zin aan te geven: Welke woorden horen bij elkaar?