Doof

De meest mensen die doof of slechthorend zijn, zijn met een normaal gehoor geboren. Ze zijn pas op latere leeftijd slechter gaan horen of helemaal doof geworden; zij zijn 'laatdoof' of 'plotsdoof'. Gesproken communicatie kan dan een (groot!) probleem zijn, maar de hoorstoornis heeft geen enkel effect op de leesvaardigheid. De meeste laatdove dove en slechthorende mensen kunnen dus normaal lezen.

Vroegdoof

Mensen die doof geboren zijn of die vlak na de geboorte doof zijn geworden (vroegdoof) kunnen wel problemen hebben met lezen. Al zijn dat eigenlijk geen leesproblemen, maar taalproblemen. Ze hebben geen of nauwelijks toegang tot de gesproken taal en hebben het Nederlands geleerd als een vreemde, slecht waarneembare taal. 

Oraal  

In de laatste 30 jaar hebben er grote veranderingen plaats gevonden in het onderwijs aan doven. Tot ongeveer 1980 moesten dove kinderen de Nederlandse taal leren door middel van liplezen en articulatietraining, het zogenaamde orale onderwijs. Gebaren maken was verboden. Omdat kinderen daardoor tot hun 7-8e jaar niet of nauwelijks konden communiceren met hun ouders, leraren, leeftijdgenoten enz. liepen ze niet alleen een enorme leerachterstand op, maar onstonden er vaak ook sociaal-emotionele problemen.

Totale Communicatie

Van 1980 tot ongeveer 2000 was het advies daarom om "Totale Communicatie" te gebruiken: gebruik alle middelen die je hebt om met een doof kind te communiceren, inclusief gebaren. Totale Communicatie betekende in de praktijk: Nederlands met ondersteunende Gebaren.

Nu noemt men dat ook wel: NmG, Nederlands met Gebaren. De horende omgeving spreekt Nederlands tegen het dove kind en maakt tegelijkertijd gebaren. De veronderstelling was dat door de combinatie van spreken en gebaren niet alleen de communicatie met het kind zou verbeteren, maar dat het kind zo ook Nederlands zou leren.

De communicatie verbeterde inderdaad, maar kinderen leerden geen Nederlands. Het Nederlands was net zo moeilijk waarneembaar als voorheen; de gebaren verduidelijkten wel de inhoud van de boodschap, maar gaven te weinig informatie over de structuur van het Nederlands. Lidwoorden en voegwoorden worden bijvoorbeeld niet met een gebaar ondersteund, en de gebaren gaven geen informatie over vervoegingen en verbuigen van woorden. Kinderen kregen iets aangeboden dat geen Nederlands was, maar ook geen gebarentaal. 

Tweetalig  

Van 2000 tot ongeveer nu koos het onderwijs aan dove kinderen daarom voor tweetaligheid: de Nederlandse Gebarentaal als eerste taal en het gesproken/geschreven Nederlands als tweede taal.

Nederlandse Gebarentaal

De Nederlandse Gebarentaal is een volwaardige taal, met een eigen woordenschat (gebarenschat) en een eigen grammatica. Het is een taal die natuurlijk ontstaan is in de Nederlandse dovengemeenschap, en niet een kunstmatige constructie zoals bijvoorbeeld Esperanto.

Gebarentaal is ook geen letter-voor-letter codering of woord-voor-woord vertaling van het Nederlands. Gebarentalen maken wel gebruik van een visuele letter-voor-letter codering, het vingerspellen, maar alleen als hulpmiddel voor bijvoorbeeld eigennamen, plaatsnamen, enz.  

Gebarentaal is niet universeel; ieder land heeft een eigen nationale gebarentalen, en sommige landen hebben zelfs meer dan een gebarentaal (Belgie en Spanje bijvoorbeeld). 

CI

Op dit moment verandert het onderwijs aan, en de communicatie met dove kinderen alweer. Kinderen krijgen nu al op heel jonge leeftijd een zogenaamd Cochleair Implantaat of CI, een super gehoorapparaat dat door middel van een operatie in de schedel en het gehoororgaan wordt ingebracht. Ook dove jongeren en volwassenen kiezen soms voor een CI.

Dove kinderen die al op jonge leeftijd een CI krijgen (vaak al rond de 1e verjaardag), kunnen met hun CI onder gunstige omstandigheden voldoende horen om 'gewoon' Nederlands te leren: door te horen en te praten, zonder expliciete instructie. Steeds meer dove kinderen gaan daardoor naar het regulier onderwijs; steeds meer ouders kiezen voor orale communicatie of voor Nederlands met Gebaren. 

Dove lezers

Door al deze ontwikkelingen binnen het dovenonderwijs is de groep 'dove lezers' nu zeer divers.

Dove volwassenen en ouderen hebben over het algemeen oraal onderwijs gevolgd. Onderling gebruiken zij de Nederlandse Gebarentaal of Nederlands met Gebaren. Dove jongeren die tweetalig zijn opgevoed, zien de Nederlandse Gebarentaal als hun eerste taal. Bij contacten met horende mensen maken zij vaak gebruik van een tolk gebarentaal. De jongste generatie, de dove kinderen die nu op de basisschool zitten, leren soms al helemaal geen gebarentaal meer. 

Wat het lezen betreft: zowel dove volwassenen als dove jongeren hebben problemen met het lezen en schrijven van het Nederlands. Dove volwassenen beheersen soms geen enkele taal goed: het Nederlands niet, maar ook de Nederlandse Gebarentaal niet, omdat ze die pas op latere leeftijd 'mochten' gebruiken. Dove jongeren hebben baat bij een vertaling van informatie in gebarentaal. Dove kinderen die met een CI voldoende kunnen horen, lijken 'gewoon' te gaan lezen.