Tips voor schrijvers

1. Boodschap

Bedenk wat de boodschap, en het doel van je tekst zijn. Wil je de lezer vermaken? Informeren? Instrueren? Wat moet de lezer onthouden van je tekst?

Deel je boodschap op in een aantal stappen. Wat is het onderwerp? Wat wil je daarover zeggen? Hoe is het verloop in de tijd, wat zijn de onderlinge relaties?

Maak een schema, waarin je de elementen met trefwoorden weergeeft. Geef met pijlen de onderlinge relatie tussen elementen aan.

2. Voorkennis

Verplaats je in de lezer. Welke voorkennis moet de lezer hebben, om jouw boodschap goed te kunnen begrijpen? Mag je ervan uitgaan dat iedere lezer deze voorkennis heeft? Zo niet, voeg dan zoveel elementen toe aan je schema, als noodzakelijk lijkt.

3. Structuur

In welke volgorde kun je de elementen het best presenteren aan de lezer? Een temporele volgorde (en toen.. en toen.. en toen.. ) is over het algemeen het makkelijkst te begrijpen, maar kan saai zijn.

Pas de structuur van je boodschap aan aan je doel, en aan het aantal elementen van je boodschap en hun onderlinge samenhang.

Werk de structuur uit in het schema van je tekst: nummer de volgorde van de elementen, en benoem de onderlinge relaties (oorzaak vs. gevolg, betoog vs. voorbeeld, flashback vs. flashforward, enz.

4. Stijl

Kies een schrijfstijl, die past bij het doel van je boodschap EN bij de doelgroep voor wie je schrijft. Je schrijfstijl kan bijvoorbeeld heel strak zijn ('to the point") of juist heel bloemrijk; je kunt kiezen voor lange zinnen, of juist voor korte zinnen; voor heel redundant of juist heel compact; voor schrijftaal, of spreektaal.

In het algemeen is een tekst leesbaarder naarmate de stijl strakker is, en bestaat uit korte zinnen die zich makkelijk laten voorlezen (en die dus lijken op spreektaal), en: wanneer alle belangrijke informatie expliciet verwoord wordt.

5. Voorbeelden

Een lezer zal je tekst beter begrijpen en onthouden, als hij of zij de inhoud in verband kan brengen met de eigen denk- en leefwereld. Voorbeelden kunnen hierbij helpen. Voorbeelden kunnen abstracte zaken bovendien concreet maken. Een voorwaarde is dan wel, dat de lezer zich kan verplaatsen in het voorbeeld.

Een voorbeeld hoeft niet 'vanzelfsprekend' te zijn; een onverwacht voorbeeld waardoor de lezer uitgedaagd wordt om iets vanuit een andere invalshoek of in een andere context te bekijken, kan veel effectiever zijn dan een 'uitgekauwd' voorbeeld.

Een voorbeeld dat emoties oproept, is effectiever dan een droog, feitelijk voorbeeld. Maar ook een onverwacht en/of emotioneel voorbeeld werkt alleen, als de lezer zich in het voorbeeld kan verplaatsen.

Wees voorzichtig met zegswijzen en uitdrukkingen; lezers met weinig leeservaring kennen deze misschien niet, en/of interpreteren ze anders dan je bedoeling is.

6. Woordgebruik

Gebruik woorden die de lezer kent. Verduidelijk noodzakelijke onbekende woorden met een omschrijving en/of met voorbeelden.

Wees bedacht op de 'emotionele' lading die woorden voor sommige lezers kunnen hebben.

Wees voorzichtig met alle woorden die voor meerdere uitleg mogelijk zijn.

Wees met name voorzichtig met persoonlijke voornaamwoorden (hij, zij, jouw) en andere woorden waarvan de betekenis afhankelijk is van de context (dat, die, daar, doen enz.). Zorg dat er geen misverstand kan zijn over wie of wat met ieder van deze woorden bedoeld wordt.

7. Zinsbouw

Schrijf in volledige zinnen. Schrijf in korte zinnen. Maar varieer de zinnen die je gebruikt wel. Steeds dezelfde zinstructuur lijkt misschien wel duidelijk, maar is onplezierig (hakkerig) om te lezen.

Gebruik bij voorkeur enkelvoudige zinnen, waarbij het onderwerp en het werkwoord zo dicht mogelijk bij elkaar staan. Passieve zinnen kunnen problemen geven, wanneer niet duidelijk is wie de 'dader' is.

Laat samengestelde zinnen met het belangrijkste deel beginnen.

Gebruik bij voorkeur geen tussenzinnen.

8. Ondersteuning

Een streepje in samengestelde woorden helpt de lezer bij de woordherkenning (bom-melding); een komma in een lange zin geeft aan, welke woorden bij elkaar horen, en in één adem gelezen moeten worden.

Een regel wit tussen paragrafen geeft aan, welke zinnen bij elkaar horen.

De kopjes boven hoofdstukken en paragrafen verduidelijken de opbouw van je verhaal.

Geef in de inleiding van je verhaal een kort overzicht van de structuur van je verhaal; neem evt. het schema van je verhaal op.

Gebruik tekeningen of foto's om de context van een verhaal duidelijk te maken en/of om moeilijke woorden te ondersteunen.

9. Vormgeving

Zorg dat de vormgeving van je tekst duidelijk en aantrekkelijk is, ook voor slechtzienden.

Zorg dat lettertype en -formaat geschikt zijn voor de doelgroep.

Laat de vormgeving niet afleiden of interfereren met de boodschap van je tekst.

10. Aangepaste media

Gebruik aangepaste media als je doelgroep gedrukte tekst niet kan of niet wil lezen.

Laat een tekst brailleren of omzetten in gesproken vorm.

Een tolk Gebarentaal kan een tekst - evt. voor een videocamera - vertalen in gebarentaal.